Nieuwe circulaire over de meerwaardebelasting: wat betekent dit voor de Belgische maatschap?
- Bob Beazar
- Aug 5
- 6 min read
Op 22 juli 2026 publiceerde de FOD Financiën circulaire 2026/C/74 over de nieuwe belasting op meerwaarden op financiële activa. De circulaire geeft toelichting bij de wet van 6 april 2026, waarvan de bepalingen uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2026.
Na de publicatie van de wet rezen voor de Belgische maatschap vooral vragen over de fiscale gevolgen van de inbreng van activa, de toetreding van vennoten en de latere ontbinding en verdeling.
De circulaire verduidelijkt in welke gevallen daarbij sprake is van een belastbaar realisatiemoment. Daaruit blijkt dat de Belgische maatschap een nuttig instrument voor vermogensplanning blijft, maar dat de samenstelling van het vermogen, wijzigingen in de rechten van de vennoten en de wijze van verdeling voortaan nog zorgvuldiger moeten worden beoordeeld.
De maatschap als instrument van vermogensplanning
De maatschap is een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, die in de praktijk vaak wordt gebruikt als controlestructuur in een familiale vermogensplanning. Net omdat de wettelijke regeling beperkt is, biedt de maatschap een grote contractuele vrijheid.
In de praktijk wordt een maatschap vaak gebruikt voor het beheer van effectenportefeuilles, aandelen van een vennootschap, liquiditeiten of een kunstcollectie. Het vermogen wordt ingebracht in de maatschap, waarna de aandelen van die maatschap aan de volgende generatie kunnen worden geschonken, al dan niet met voorbehoud van vruchtgebruik.
Zo kan het vermogen reeds tijdens het leven van de schenkers naar de volgende generatie worden overgedragen, waardoor de latere erfbelasting kan worden beperkt. Tegelijk kunnen de schenkers, afhankelijk van de gekozen structuur, inkomsten uit het vermogen en een belangrijke mate van controle behouden. Dat maakt de maatschap voor veel families tot een bijzonder aantrekkelijk instrument.
Wat is de meerwaardebelasting en waarom raakt zij de maatschap?
De nieuwe belasting op meerwaarden op financiële activa heeft onder meer betrekking op aandelen, obligaties en bepaalde andere beleggingen.
Een loutere waardestijging volstaat niet: de belasting komt in beginsel pas aan bod wanneer de meerwaarde wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld bij een verkoop. Binnen de regeling voor financiële activa geldt in principe een tarief van 10%, rekening houdend met de toepasselijke vrijstellingen. Daarbij worden in beginsel alleen de meerwaarden belast die vanaf 1 januari 2026 zijn opgebouwd.
De maatschap is fiscaal transparant. Dat betekent dat zij voor de inkomstenbelasting niet als een afzonderlijke belastingplichtige wordt behandeld. De inkomsten en meerwaarden worden rechtstreeks toegerekend aan de vennoten, waarbij rekening wordt gehouden met hun rechten in de maatschap en met de onderliggende financiële activa.
Daardoor kan de meerwaardebelasting niet alleen spelen bij een gewone verkoop door de maatschap. Ook de inbreng van financiële activa, een wijziging van de rechten van de vennoten of de latere verdeling van het vermogen zouden eventueel onder bepaalde omstandigheden tot een belastbaar realisatiemoment leiden. De circulaire verduidelijkt in welke gevallen daarvan sprake is.
Wat verduidelijkt de nieuwe circulaire?
De meerwaardebelasting geldt bij maatschappen alleen wanneer er een verwezenlijking is. De circulaire bevestigt dat het louter aangaan of beëindigen van een maatschapsovereenkomst op zich geen verwezenlijking oplevert.
Worden vennootschapsaandelen in een maatschap ingebracht, dan geldt de vrijstelling van artikel 96/2, eerste lid, 4°, WIB 92. Die vrijstelling kan volgens de circulaire worden ingeroepen bij de inbreng van aandelen in een vennootschap met of zonder rechtspersoonlijkheid. Zij geldt niet voor de inbreng van winstbewijzen of van andere financiële activa.
Op het ogenblik van de inbreng wordt dus geen meerwaardebelasting geheven. Het gaat wel om een doorschuifregeling: de fiscale aanschaffingswaarde van de ingebrachte aandelen blijft behouden en wordt bij een latere overdracht opnieuw fiscaal relevant.
De inbreng van financiële activa in een maatschap kan in beginsel wél een verwezenlijking uitmaken. De inbrenger ontvangt voor zijn inbreng immers een tegenwaarde, namelijk de aandelen van de maatschap. Er is echter geen verwezenlijking wanneer de inbreng geen impliciete ruil van het ene financiële actief tegen het andere inhoudt.
Een voorbeeld maakt dit duidelijk. Maatschapsaandeelhouder A brengt vijftig financiële activa X in, maatschapsaandeelhouder B vijftig identieke activa X. Beiden ontvangen de helft van de maatschapsaandelen. Vóór de inbreng bezat ieder exclusief vijftig activa X. Na de inbreng houdt ieder de onverdeelde helft van honderd identieke activa X aan. Hun vermogen is fundamenteel niet gewijzigd. Volgens de circulaire vindt in dat geval geen verwezenlijking plaats.
Dat is anders wanneer A vijftig activa X inbrengt en B vijftig activa Y van gelijke waarde, waarna ieder de helft van de maatschapsaandelen verkrijgt. Na de inbreng houden zij ieder de onverdeelde helft van zowel de activa X als de activa Y aan. A heeft de helft van zijn activa X geruild tegen de helft van de activa Y van B, en omgekeerd. Volgens de circulaire is er dan sprake van een impliciete ruil en dus van een gedeeltelijke verwezenlijking. Betreft het aandelen, dan kan ook voor die verwezenlijking de vrijstelling van artikel 96/2, eerste lid, 4°, WIB 92 worden ingeroepen, met behoud van de oorspronkelijke aanschaffingswaarde.
Ook de toetreding van een nieuwe maatschapsaandeelhouder tijdens de looptijd van de maatschap wordt toegelicht. Daarbij is volgens de circulaire steeds sprake van een impliciete ruil en dus van een verwezenlijking. De onderliggende activa worden op dat ogenblik herschikt tussen de bestaande en de nieuwe maatschapsaandeelhouder, waardoor een gedeeltelijke overdracht plaatsvindt (Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/007, blz. 25 en 26).
Ook een uitonverdeeldheidtreding kan tot meerwaardebelasting leiden. Zij wordt beschouwd als een overdracht onder bezwarende titel, maar levert slechts een verwezenlijking op wanneer zij gepaard gaat met een impliciete ruil van financiële activa tussen de deelgenoten. Van een impliciete ruil is geen sprake wanneer iedere deelgenoot financiële activa verkrijgt die overeenstemmen met zijn proportionele gerechtigdheid in die activa.
Zijn A en B elk voor 50 % gerechtigd in een maatschap die honderd aandelen X aanhoudt en verkrijgen zij bij de ontbinding ieder vijftig aandelen X, dan weerspiegelt de verdeling louter hun vooraf bestaande gerechtigdheid. Er ontstaat geen moment van verwezenlijking.
Dat is anders wanneer zij elk voor de helft gerechtigd zijn in een vermogen van honderd aandelen X en honderd aandelen Y, waarna A alle aandelen X en B alle aandelen Y verkrijgt. A staat zijn rechten in de aandelen Y af in ruil voor de rechten van B in de aandelen X, en omgekeerd. In dat geval is er een impliciete ruil. De uitonverdeeldheidtreding leidt dan, naar verhouding van die ruil, tot een belastbaar realisatiemoment.
Verder bevestigt de circulaire dat de maatschapsaandelen van een maatschap zelf als financiële instrumenten worden beschouwd. Een overdracht onder bezwarende titel van die maatschapsaandelen valt daardoor onder het toepassingsgebied van de meerwaardebelasting, zelfs wanneer de maatschap geen financiële activa aanhoudt (Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/007, blz. 26).
Ten slotte verduidelijkt de circulaire hoe de waarde van niet-beursgenoteerde aandelen op 31 december 2025 kan worden vastgesteld. In afwijking van de forfaitaire waardering (het eigen vermogen verhoogd met vier keer de EBITDA) of wanneer de wettelijke waarderingsmethodes niet toepasbaar zijn, kan een waardering worden gebruikt die uiterlijk op 31 december 2027 wordt opgesteld door een bedrijfsrevisor of een gecertificeerd accountant. Die deskundige mag niet de gebruikelijke beroepsbeoefenaar zijn; de bedrijfsrevisor mag evenmin de commissaris zijn.
Die waardering kan belangrijk zijn wanneer de maatschap aandelen van een niet-beursgenoteerd familiebedrijf aanhoudt. De waarde op 31 december 2025 bepaalt immers mee de belastbare meerwaarde bij een latere verkoop. Een tijdig waarderingsverslag documenteert die historische waarde zorgvuldig, zodat bij een latere verkoop in beginsel alleen de meerwaarde die vanaf 1 januari 2026 is opgebouwd, wordt belast.
Meer duidelijkheid, maar geen rechtszekerheid
Een circulaire is geen wet, maar een administratieve richtlijn waarin de fiscus toelicht hoe hij de wet zal toepassen. Zij bindt de belastingplichtige en de rechter niet. Wanneer de interpretatie van de administratie verder zou gaan dan wat uit de wet voortvloeit, kan die interpretatie dan ook voor de rechtbank worden betwist.
De circulaire biedt dus belangrijke praktische duidelijkheid over de behandeling van de maatschap, maar sluit nieuwe discussies niet uit.
Conclusie
De circulaire bevestigt dat de maatschap haar nut als instrument van vermogensplanning niet verliest. De inbreng en latere verdeling van het vermogen kunnen in veel gevallen verlopen zonder dat een belastbaar realisatiemoment ontstaat, zolang geen impliciete ruil plaatsvindt en de onderlinge economische rechten van de vennoten niet wijzigen.
Toch wordt het belangrijker om vooraf zorgvuldig te bepalen welke activa worden ingebracht, hoe de rechten van de vennoten tijdens de looptijd kunnen wijzigen en hoe het vermogen later zal worden verdeeld. Vooral bij de inbreng van verschillende financiële activa, de toetreding van een nieuwe vennoot, de overdracht onder bezwarende titel van aandelen van een maatschap of een niet-proportionele verdeling kan de meerwaardebelasting alsnog spelen.





